De eis die alles bepaalt: er is niemand
In een themapark loopt technische dienst rond. In een escape room staat een gamemaster achter de balie. In een museumzaal staat een suppoost die er niet voor is opgeleid en die er ook niet voor betaald wordt.
Dat betekent dat de opstelling zichzelf moet redden. Aangaan zonder dat iemand op iets drukt, doorlopen zonder toezicht, en na een storing terugkomen zonder dat er gebeld hoeft te worden.
Alles wat je normaal met een handeling zou oplossen, moet hier in het ontwerp worden opgelost.
Aan en uit met het gebouw
De opstelling start met de openingstijden en gaat mee met de sluitingstijd. Dat kan op een schema, maar liever op een signaal uit het gebouwbeheer, want openingstijden veranderen en schema's worden vergeten.
Na een stroomstoring komt alles vanzelf terug in de beginstand. Geen pc die om een wachtwoord vraagt, geen apparaat dat in de verkeerde volgorde opstart en dan wacht op iets dat er nooit komt.
En er is een stand voor de dagen dat het museum dicht is: alles uit, behalve wat aan moet blijven.
Onderdelen die je over vijf jaar nog kunt bestellen
Dit is het grootste verschil met een tijdelijke installatie. Wij kiezen industriële componenten op DIN-rail van fabrikanten die over tien jaar nog bestaan, en we vermijden alles wat een gesloten ecosysteem is.
Een consumentenmediaspeler die na drie jaar uit productie is, is een tijdbom. Hetzelfde geldt voor software die alleen draait op een besturingssysteem waarvan de ondersteuning afloopt.
Wij leggen vast wat waar zit en met welk type. Als een onderdeel over zes jaar vervangen moet worden, staat in de documentatie wat het is en wat het alternatief is.
Rustig in het zicht
Geen zoemende ventilatoren in een zaal waar mensen fluisteren. Geen blauwe statusleds in een verduisterde ruimte. Geen apparatuur in het zicht waar de aandacht bij het object hoort te liggen.
Dat is deels componentkeuze, deels plaatsing en deels een kastindeling die warmte kwijt kan zonder actieve koeling. Het is makkelijker als je er vroeg over meedenkt en bijna niet meer op te lossen als het gebouw af is.
Interactie die tegen bezoekers kan
Een knop in een museum wordt vaker ingedrukt dan een knop waar dan ook. Door kinderen, door mensen die niet weten of hij het doet, door mensen die hem tien keer indrukken omdat er niet meteen iets gebeurt.
Dus: industriële drukknoppen in plaats van paneelknoppen, en directe terugkoppeling zodat de bezoeker weet dat hij geregistreerd is. Een lampje dat aangaat op het moment van indrukken voorkomt het merendeel van de slijtage.
En de logica moet ertegen kunnen: tien drukken achter elkaar is één keer afspelen en niet tien keer in de wachtrij.
Weten dat het werkt zonder er te zijn
De opstelling meldt zelf wanneer er iets niet klopt. Een lamp die niet meer reageert, een speler die niet start, een sensor die al drie dagen niets meldt.
Die melding gaat naar wie het moet weten, niet naar een scherm in een zaal waar niemand kijkt. Zo is een storing iets dat je op maandagochtend inplant in plaats van iets dat een bezoeker meldt bij de balie.
Wat je meekrijgt
Schema's, broncode en inloggegevens zijn van jou. Voor een museum is dat geen luxe maar noodzaak: de opstelling gaat langer mee dan de meeste contracten, en de partij die hem over acht jaar aanpast is waarschijnlijk niet degene die hem gebouwd heeft.
Waarom je de broncode moet krijgen →
Naar de betreffende pagina's